Individuele Fietsvakanties in Azië

Reisverslagen

Korea: Zuid-Korea 2008

Door: Martin Kat, Asian Way Of Life
In de zomer van 2008 heb ik een vierweekse fietstocht door Zuid-Korea gemaakt. Er is weinig over het land bekend. De voorbereiding heeft daarom een jaar geduurd. Toch weet ik, als ik uit Seoul wegfiets, niet wat me te wachten staat. Ik word niet teleurgesteld. Het wordt een prachtige tocht.
De aankomst op het vliegveld is veelbelovend. De regen komt met bakken uit de hemel en het waait hard. De tocht naar Seoul verloopt vlot en duurt ruim een uur. Mijn hotel staat midden in het centrum. Alles is op loopafstand. Het weer verbetert snel.
Seoul is een grote stad. Meer inwoners dan Nederland. In het centrum wisselen wolkenkrabbers, markten en idyllische parken met tempels en paleizen elkaar af. Veel straten zijn aangenaam autovrij. Een verrassend riviertje kabbelt dwars door het centrum. Kinderen vermaken zich in het water en over de stapstenen. Ondergrondse straatpassages verwijden zich tot complete winkelcentra. De geesten van de koningen hebben in het verleden hun eigen rustplaats, een tempel, gekregen. Nu midden in de stad, maar nog steeds een oase van rust.
Seoul is rond de rivier Han gebouwd. Voor het begin van de fietstocht moet ik het fietspad langs deze rivier zien te vinden. Het lukt zonder veel moeite.
Op zondag peddelen honderden Koreanen in glimmende pakjes over dit fietspad. Het is 25 kilometer lang en voert je feestelijk de stad uit. Koreanen denken aan alles. Dus zijn er toiletten, waterkranen en kiosken voor een hapje en een drankje.
De eerste fietsdag rijd ik 100 kilometer tot Yeoyu. Mijn hotel ligt aan de rivier. De kamer is eenvoudig, maar alles is er: bed, koelkast, t.v., warm en koud drinkwater, badkamer, tandpasta en tandenborstel, handdoek en zeep. Ik gebruik alleen mijn lakenzak.
In de binnenstad is een gezellige markt.


De volgende dag naar Cheongju, een stad aan een stuwmeer.
Ik zet een leuk tochtje naar het meer uit. Er zijn fraaie vergezichten en je kunt een boottocht maken. Met een snelle boot scheur je een uur over het meer. Een geliefd uitje van de Koreanen.

Dan in 3 dagen dwars door het ontvolkte platteland van Korea naar Gyeungju. Een heerlijke tocht over kleine, rustige wegen door prachtige valleien. Soms even een klim, maar een vallei zonder klim bestaat nu eenmaal niet.
Zuid-Korea verstedelijkt. Het platteland ontvolkt. Er is rijstbouw en er zijn veel boomgaarden. Appels zijn er zo kostbaar dat ze al aan de boom in een papiertje verpakt worden.
Bejaarden schuifelen achter rollators. Er zijn weinig kinderen.
De steden mijd ik. Ik zie slechts dorpen. Voor mijn lunch zit ik gehurkt achter een dozijn schaaltjes met rijst en heerlijke groenten, waaronder het nationale gerecht kimchi, scherp ingemaakte kool. Heerlijk. Je eet hier met twee ijzeren stokjes en een lepel. Ben je te onhandig, dan wordt je zwijgend een vork toegestoken. De Koreanen zijn afstandelijk, maar behulpzaam. Hoewel ze de verleiding om even over mijn behaarde arm te strijken soms niet kunnen weerstaan. Vreemd zo’n behaarde buitenlander.


Gyeungju was de hoofdstad van het ongeveer 1500 jaar oude Shila rijk. Het is nu een moderne stad. Alle bezienswaardigheden liggen ten zuiden van de huidige stad. Er is nog veel te zien. Direct naast de stad liggen opvallende tumuli, dit zijn hoge grafheuvels. Nu met gras en soms zelfs bomen begroeid.
Er is er een geopend, zodat je een goede indruk van de bouwwijze krijgt. De opgravingen zijn nu in een mooi museum tentoongespreid. Ik geniet het meest van het prachtige bronzen boeddhabeeld.

Iets buiten de stad ligt de fraaie Bulguksa tempel. Een monnik ramt een boomstam tegen de oude tempelbel. Niet te missen. Ver te horen.
Fiets je verder, dan klim je de mist in tot de Seokguram grot. Hier staat het beroemdste Boeddhabeeld van Korea. Sereen kijkt deze Boeddha uit over zee, richting Japan. De Japanners hebben geprobeerd dit beeld te kapen, wat niet gelukt is. Nu is het een symbool van de Koreaanse onafhankelijkheid.
Chinezen en Japanners hebben altijd verlekkerd naar Korea gelonkt. Het land is veel bezet geweest. Er zijn nog veel invloeden, tot aan de taal toe.
Iets buiten Gyeungju ligt een recreatiemeer. Grote attractie is het huren van een fiets, tandem, skelter of brommer. Rijbewijs niet verplicht, dus slalom ik langs slingerende Koreanen, die hun eerste ervaringen opdoen.
Na Gyeungju fiets ik naar het noorden, richting kust. Ik kom in krabbenland. Krabben tot een halve meter breed verdringen elkaar in grote bakken. Krabrestaurants staan in rijen, de gevels versierd met beelden van gigantische krabben. Ook de bruggen, lantaarnpalen en zeerelingen zijn versierd met afbeeldingen van krabben. Ik krijg jeuk van al dat gekrab…..
Het is heerlijk kustweer. Weinig wind en een lekker zonnetje. Het vakantieseizoen is voorbij, dus het is rustig. Mijn pad loopt vaak direct langs de stranden.
Hotels rijgen zich aaneen.
Opvallend is de kustbewaking. Regelmatig zijn er uitkijkposten. Sommige nog altijd bezet. Op stille plekken zijn hekken geplaatst. Wie vanuit een duikboot Zuid-Korea via het strand in wil, komt van een koude kermis thuis. Toch hebben de Noord-Koreanen minder dan 20 jaar geleden nog een poging gedaan. Een dodelijke ‘soap’ was het gevolg.
Na 3 dagen kust ga ik weer landinwaarts, de Buryeongsevallei in. Al na een uur ben ik bij de Buryeongsetempel.

Het is om 9 ’s ochtends een oase van rust. Ik ben de enige bezoeker en fotografeer alles wat los en vast zit. De houten daken en wandschilderingen zijn prachtig. De boeddhabeelden oogverblindend mooi.
Om 10 uur fiets ik stroomopwaarts de vallei uit.
Drie dagen fiets ik door de heuvels. Soms door een tunnel. Veilig en goed verlicht, maar de resonantie van auto’s is oorverdovend.
Ik bezoek de Woljeong en de Sangwan tempel in het Odesan National Park. Zeer kleurrijk. In de Sangwan tempel hangt de oudste tempelbel van Korea, zo’n 1400 jaar oud. Maar de Koreanen hebben meer belangstelling voor een 2 meter lange, behaarde langneus.
Een te bezoeken grot blijkt een oude goudmijn te zijn. Naar de ingang met een monorail, dan een diepe afdaling. Het leven in de mijn wordt met poppen uitgebeeld. Om het ook voor kinderen aantrekkelijk te maken zijn een soort smurfen ingezet. Zelfs hier zingen ze een vrolijk deuntje. Aan het eind zijn er de onvermijdelijke zorgvuldig uitgelichte stalagmieten.
Er volgt een lange afdaling naar de kust. In Sokcho vind ik onderdak in een hotel aan de vissershaven. De vis wordt hier in de restaurants ook als sushi, dus rauw, opgediend.
’s Avonds zijn de hotels en restaurants kleurrijk verlicht. De Koreanen weten deze plek massaal te vinden.
Om 5 uur ’s ochtends vertrekken de eerste vissers. Om 8 uur komen er al afgeladen boten terug. 10 Minuten later is er verse sushi. Ik hou het nog even bij koffie en een broodje kaas, want ik maak een tochtje naar het Sorok National Park, het beroemdste natuurgebied van Zuid-Korea. Met een kabelbaan ga in de bergen in. Boven klim ik naar een bergtop. Een lotgenoot fotografeert me. Ik hem.
Weer beneden loop ik langs een gigantisch boeddhabeeld naar de Sinheung tempel. Dan waag ik me aan een wandeling van 3 kilometer. Fluitje van een cent denk je, maar het gaat bergop. Steeds steiler. Na anderhalf uur uithijgen op een bewolkte top. We hijgen in commissie, want dit soort uitstapjes zijn populair bij de Koreanen. Pas om 2 uur zit ik beneden aan de lunch.
Verder noordwaarts gaat de tocht naar Konsong. Van hieruit fiets ik naar de demarcatielijn (feitelijk de grens). Er is een uitzichttoren met uitkijk over Noord-Korea. Helaas, niet voor fietsers.
10 Kilometer voor de demarcatielijn is er een kaartjesloket. Daar verkopen ze geen kaartjes aan wandelaars, fietsers, motorrijders en andere vage types. Je kunt proberen met een auto mee te liften. Maar ja, vandaag geen belangstellende automobilisten. Ik ben de enige bezoeker. Dan maar doorfietsen. Na 5 kilometer is er een wachtpost. Met militairen. Ik krijg beleefd te horen dat ik niet verder mag. De grijns van een militair achter een enorm machinegeweer doet me besluiten niet aan te dringen. Ik heb mijn grens bereikt. De militairen zijn zo aardig een foto van me op de fiets te maken. Dan terug. Voor mij geen niemandsland. Bij het kaartjesloket eet ik een frustratieijsje. Er verschijnt geen automobilist die me een lift kan geven. Ik fiets terug langs de vissershavens. Een leuke rit.
In 4 dagen fiets ik terug naar Seoul. Over heuvels en door dalen, door tunnels en langs stuwen. Altijd op zoek naar kleine, stille wegen.
Ik mis de infiltratietunnels. De Noord-Koreanen hebben er in de vijftiger en zestiger jaren tenminste 4 gegraven. Ze zijn zo breed, dat er in een uur een divisie door kan. Ook kunnen er tanks doorheen. Nu kunnen er toeristen doorheen.
Op een maandag, een feestdag, ben ik weer op het fietspad langs de Han rivier. Het is heerlijk weer, dus wordt er massaal gefietst. Ik vier mijn rondje met een heerlijk tapbiertje.
Als ik van de rivier afsla naar mijn hotel, heb ik een sliert fietsende Koreanen achter me, nieuwsgierig naar mijn doen en laten. In Seoul heb ik nog tijd voor een paar mooie wandelingen. Er is hier veel te zien.


Ik kijk terug op een mooie, afwisselende reis. Spannend door de onbekendheid met de route: bij het begin van een klim wist ik vaak niet of ik 100 meter of 10 kilometer zou moeten klimmen. Er was veel te zien. De afwisseling van kust en heuvelland, modern heden en oude geschiedenis maakt de reis aantrekkelijk. Zuid-Korea is een bijzonder land met een bijzondere geschiedenis. En een fietsland.



Laatste update: 22-07-2010

DHTML JavaScript Menu By Milonic